Boomkwekerij Bosgra

Stamreeks
Gehele stamboom
Naamsbeschrijving
Geschiedenis van negen generaties Bosgra(af)
Formulier aanvulling stamboom

Contactformulier
De boomkwekerij door de eeuwen heen
Familiewapen
Het Hooghuis
Geschiedenis van Bergum
Foto's
Literatuurlijst
 

 

De boomkwekerij door de eeuwen heen

 

Hwa’t út Burgum wei nei ’t Easten
Rjochtút troch de Nijstêd giet,
Sjocht der yn in tún in boerd stean
Hwerop ’t wurdtsje ‘Iephof’ stiet.
Dêr is de ‘beamkwekerije’,
Wol bikend fier yn it roun
Om de beammen, planten, blommen
Kweekt en groeid yn Burgums groun.

(Lied van kwekerij Iephof)

Inleiding

De boomkwekerij van de familie Bosgra is opgericht door Freerk Bosgraaf, de stamvader van de Bosgra’s in Bergum. De boomkwekerij is van groot economisch belang geweest voor de gemeente Tietjerksteradeel. Als erkenning hiervoor is een straat in Bergum vernoemd naar deze kweker, de Freerk Bosgraafstraat. Freerk Bosgraaf is op 18 oktober 1693 in Leeuwarden getrouwd met Maria Eeckmans. Hij komt waarschijnlijk oorspronkelijk niet uit Friesland, maar heeft zich hier vanaf 1693 blijkbaar gevestigd. Er is door historici en genealogen een aantal mogelijke plaatsen van herkomst genoemd, zoals Amsterdam, Noord-Duitsland en Denemarken. Helaas zijn er nog geen documenten gevonden die hierover helderheid kunnen verschaffen.

 


Huis van Johannes Okkes Bosgra en Pietertje Pieters Hoekstra aan de Nieuwstad te Bergum met bord in de tuin: Firma Joh. Bosgra, Tuin Bloem en Landbouwzaden

Aankomst in Bergum

In Bergum is Freerk Bosgraaf terug te vinden vanaf 1696, toen werd hij belijdend lidmaat van de Nederlands Hervormde Kerk. Hij woonde toen in het West van Bergum. Volgens Spahr en Ypma (1978) was hij toen waarschijnlijk ook werkzaam op het landgoed het Hooghuis. Freerk was hier werkzaam als Bosgraaf of Boskgreve zoals het in sommige documenten ook wordt genoemd. Dit betekent dat hij de beheerder van de bossen, het park en de boomkwekerij op het landgoed was. Hij mocht zich in dit beroep meester noemen, hij tekende daarom ook met mr. Freerk Bosgraaf. Vanaf 1686 woonde Hendrik Casimir II van Nassau, erfstadhouder van Friesland, op het Hooghuis (Theissen, 1907). De Nassau’s werden hier opgevolgd door kolonel Frans Menno van Eminga en in 1721 kwam het in bezit van Grietman Hector Willem van Glinstra (Van der Aa, 1839). Later zijn hier “aanzienlijke boomkwekerijen” te vinden, voornamelijk door de liefhebberij van de grietman Hector Willem van Glinstra voor de kwekerij (Spahr en Ypma, 1978).

Start van het bedrijf

Spahr en Ypma (1978) denken dat Freerk daarnaast ook voor zichzelf zaken deed en een eigen boomkwekerij had waardoor hij bomen en beplanting kon verkopen. Dit wordt bevestigd door het beroep dat ingevuld is toen hij in 1696 belijdend lidmaat werd. Hij wordt hier als hovenier en koopman vermeld.

Hiermee is duidelijk dat Freerk Bosgraaf een eigen boomkwekerij had en dus gaat de startdatum van de boomkwekerij daarmee terug tot in of voor 1696. De heer Piet Nieuwland van het Fries Historisch en Letterkundig Centrum Tresoar heeft een deel van het archief van de boomkwekerij Bosgra onderzocht dat ondergebracht is bij Tresoar. Hij zegt ook dat Freerk Bosgraaf naast het werk op het Hooghuis waarschijnlijk direct voor zichzelf is begonnen toen hij in Bergum arriveerde. Hij is in of voor 1696 in Bergum gaan wonen, misschien al omstreeks 1693 toen hij met Maria Eeckmans trouwde in Leeuwarden.

De tweede schriftelijke bron die bevestigd dat hij zelf een bedrijf had is het boek “De schoolmeesters in Tietjerksteradeel in de loop der tijden. ” Spahr en Ypma (1978) hebben hierin gevonden dat hij in 1714 de “frugtboomen in ’t schoolmeestershof “ leverde.  

 

Verschillende boomkwekerijen

Het door Freerk Bosgraaf gestarte bedrijf is de directe basis geweest voor vele generaties Bosgra’s in dezelfde boomkwekerij, tot aan de firma de Iephof op dit moment aan toe. (Bosgra, 1952). Van der Aa beschrijft in zijn Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden (1839) dat zich op de Bergumer Nyestad twee aanzienlijke boomkwekerijen bevinden. Er worden ook vele groenten en tuinvruchten geteeld, zoodat deze buurt Leeuwarden des zomers van geheele scheepsladingen fruit, aard- en boomvruchten voorziet.

In 1769 is de achterkleinzoon Okke Tietesz. Bosgra geboren, hij zette het bedrijf voort als vierde generatie. Na het overlijden van zijn eerste vrouw trouwt hij met zijn huishoudster Tjitske Annesdr. de Wilde.

De kinderen uit het eerste huwelijk die hierdoor blijkbaar nogal ontstemd waren vroegen hun erfdeel op en uit deze kinderen is de andere tak van het geslacht Bosgra ontstaan die een kwekerij op de Nieuwstad en later op de Noordersingel (Frisia) in Bergum in bezit hadden, Tiete Okkes Bosgra gaf leiding aan deze kwekerij. Het derde kind van Okke Tietesz. Bosgra en Tjitske de Wilde, Anne Okkesz. Bosgra, zette het bedrijf aan de Nieuwstad voort.

Toen Okke Tietes Bosgra in 1842 overleed liet hij zijn weduwe een groot bedrijf achter met meer dan 400.000 bomen. Het bedrijf had in voorraad 127.000 elzen, 47.000 eiken, 26.000 berken, 19.000 essen, 17.500 populieren, 12.700 populieren, 12.700 appel en perebomen, 6000 iepen en verder denen, beuken, kastanjes, lijsterbes, linden, larix. Daarnaast 56.000 stuks haagdoorn, 28.000 liguster.

Enkele jaren later had zij nog 40 tot 60 man in dienst. Tjitske de Wilde neemt de leiding van het bedrijf, en hoe! In alle vroegte ’s morgens trekt zij de laarzen aan en gaat in het veld om de vele tientallen arbeiders de nodige opdrachten en aanwijzingen te geven. Ze krijgt in de omgeving de erenaam it beamkweekerske (Schuttevâer, 1991).

De bekende Bergumer dichter Tsjibbe Gearts van der Meulen heeft het in zijn gedicht ‘Sakele en Myntsje krigen malkoarren net’ aldus beschreven:

’t Bedriuw – in beammekwekerije
un ’t grut – waerd troch de mem beheard.
In fjirtich, fyftich, sechstich minsken,
Mei dat der yn é rin fan ’t jier
Oan arbeidsfjolk dêr nedich wier,
Dy wachten op har oarders en har winsken,
Dy moast se neigean un har dwaen
En op sa folle, o sa folle har oandacht slaan.

De firmanaam de Iephof is pas in 1900 gekozen toen één van de drie erfgenamen van Anne Okkes zn., Jan Anneszn Bosgra, voor zichzelf is begonnen. De twee broers Hendrik en Gerrit hebben toen het oude bedrijf de Iephof genoemd. De zoon van Gerrit Annesz. Bosgra, Anne Gerritsz. Bosgra heeft het bedrijf voortgezet en later overgedaan aan zijn zoon Gerrit Annesz. Bosgra, die het bedrijf aan de huidige eigenaar van de Iephof, Anne Gerrit, heeft overgedragen. Daarmee zijn er al negen generaties Bosgra’s actief in dezelfde boomkwekerij.

Rond 1900 werden vooral Iepen gekweekt, daar waren soms wel 40.000 exemplaren van aanwezig. Het bedrijf was toen ongeveer 20 hectare groot. Een deel van de bomen werd geëxporteerd naar Duitsland. Door de Eerste Wereldoorlog en door de Iepziekte werd overgegaan op vruchtbomen en later is ook sierteelt van groot belang geworden.

In Noordwest-Europa zijn in totaal zo'n 2500 tot 5000 appelrassen. Daarvan zijn er slechts drie oorspronkelijk Fries te noemen. Dit zijn de Dokkumer Nije, de Doeke Martens en de Schoone van de Iephof. In de jaren twintig kweekte men op de Iephof het appelras de Schoone van de Iephof. Een sterke boom die veel vrucht draagt en waarvan de smaak redelijk is. Deze boom kreeg tot in Brabant bekendheid (Leeuwarder Courant, 2003).

Jan Ritskes Kloosterman – van Twijzel, de vader van de dichteres Simke Kloosterman – die in veel later jaren graag in de huiselijke kring van de Iephof een praatje kwam maken heeft aan de sfeer in de kwekerij een gedicht gewijd (‘Finneblomkes’, Bergum, 1907), waarvan één couplet hier wordt geciteerd:

Sjocht men daalk, bij eltse stap
Ris in blompark: knop en blom
Kipet blier yn it grien rûmon.
Hjir geraniums, roazen dêr,
’n Nagelopark dêr jinsen wer;
Neist it simmer goud en brùn
’t Ungrien fan in wintertûn,
Conifere, thuya’s, din,
Wat men mar betinke kin.
En dan is der grutte kar
Fan reinett’en juttepar
En fan giele zomeraagt
Dy’t mei ’t earste jier al draacht.

De Iephof is door de uitdrogende grond gedwongen geweest om te verhuizen naar Buitenpost in 1978. Vooral nadat het pompstation van de waterleiding in Noordbergum in 1954 een tweede winplek in het Ritskebosk in gebruik genomen had, werd het waterpeil steeds lager.

Naast de Iephof waren er vroeger nog drie andere kwekerijen van de familie: Frisia, Terra Nigra en Kweeklust. Deze zijn allen in de loop der tijd verkocht, alleen de Iephof is nog in handen van de familie. De Iephof staat sinds kort echter te koop, de eigenaar Anne Gerrit Bosgra zal waarschijnlijk de laatste boomkweker van de familie Bosgra zijn.

 

Frisia

Kwekerij Frisia was vanouds gevestigd op de Nieuwstad, waar Tiete Okkes Bosgra (1794-1875) er mee is gestart.  Sinds 1874 mocht de boomkwekerij het koninklijk wapen dragen, de toenmalige eigenaar Okke Tietes Bosgra (1835-1888) was naast boomkweker ook politiek zeer actief en werd lid van de Tweede Kamer in 1888. Het bedrijf was toen ongeveer 30 hectare groot.

Advertentie uit telefoonboek van Bergum uit 1928

Rond 1920 is de kwekerij verhuisd naar de Noordersingel. De oudste zoon van Okke Tietes Bosgra, Tiete Okkes Bosgra (1868-1952) heeft kwekerij Frisia overgenomen. Zijn zoon Okke Tietes Bosgra (1895 –1974) heeft het bedrijf samen met zijn broer Franciskus Hendrikus Johannes Bosgra (1902-1953) later voortgezet. Franciskus is bij de Bergumer Daam verdronken in het Prinses Margriet kanaal in 1953. Op de plaats waar vroeger de brug was, is hij waarschijnlijk per abuis het kanaal in gefietst.

Niet lang daarna is de kwekerij verkocht aan Hein Hoogland en Riet Hoogland, daarvoor hebben zij eerst in het bedrijf samen met de Bosgra’s gewerkt. In de vijftiger jaren is de kwekerij verhuisd naar de Kloosterlaan. In 1974 is onder onbekende omstandigheden Hein Hoogland verongelukt door een eenzijdig auto-ongeluk in Tietjerk. In de herfstvakantie van 1975 is het bedrijf vervolgens verkocht aan Sietse en Mettje Leijenaar. Zij hebben het bedrijf uitgebreid van 4 naar 16 hectare en zijn begonnen met hovenierswerkzaamheden. Dit heeft tot een grote groei in het personeelsbestand geleid, begin jaren negentig waren er 20 mensen werkzaam op het bedrijf. De containerteelt heeft het seizoen veel langer gemaakt, vroeger konden na het uitlopen van de bomen geen bomen meer geleverd worden. Nu de bomen in containers staan, kunnen ze langer afgeleverd worden.

In 1990 is het bedrijf verkocht aan de huidige eigenaar Willem Douma. Hij heeft onder andere de hoveniersafdeling verder uitgebreid. Frisia zet de traditie van boomkwekerijen in Bergum dus voort met zijn bloeiend bestaan.  (Van der Vliet, 1993)

Foto van boomkwekerij Frisia aan de Noordersingel rond 1920, op de foto staan drie dochters van Tiete Okkes Bosgra, v.l.n.r.: Griet, Maaike en Folkje.

 

Datum van oprichting

Tijdens de oprichting van de boomkwekerij in de 17e eeuw waren er nog heel weinig firma’s met rechtspersoonlijkheid. Hier zijn van de boomkwekerij dan ook geen documenten meer terug te vinden. De latere oprichting van een bedrijf met rechtspersoonlijkheid heeft in ieder geval na 1842 plaatsgevonden. De exacte datum is waarschijnlijk te vinden in de archieven van de rechtbank.

Het ontstaan van de boomkwekerij de Iephof is met deze gegevens met zekerheid te dateren in het jaar 1696 of daarvoor. Omdat eerdere bronnen ontbreken wordt de startdatum van De Iephof daarom gesteld in het jaar 1696. Oprichter van De Iephof is mr. Freerk Bosgraaf, de plaats van oprichting is Bergum, gemeente Tietjerksteradeel, Friesland.

Bronzen beeld

Bij hotel "'t Roodhert" in Bergum staat het bronzen beeld "De Túnker" van kunstenaar Gosse Dam, dat attendeert op de van ouds belangrijke tuinbouw en boomkwekerij van Bergum. Het is in 1985 onthuld door de voormalig eigenaar van kwekerij Terra Nigra, Okke Johannes Bosgra (1908-2003). 

 

 

De Cichoreifabriek

In  Bergum zijn twee cichoreifabrieken geweest, één op de Nieuwstad en één op de Daam (Uleflecht). De fabriek op de Daam was van de familie Haisma en is al in 1881 opgeheven. De cichoreifabriek op de Nieuwstad was van Okke Tiete Bosgra, later is hier de Timmerfabriek de Boer gevestigd. De fabriek is opgericht in 1863. De eerste steen is nog aanwezig:

H.F. VAN DER VEEN

En

O.T. BOSGRA

1863

De medeoprichter van de fabriek is Hendrik Fokkes van der Veen (1832-1877), hij was getrouwd met Minke Tietes Bosgra en dus de zwager van Okke Tietes Bosgra.

De fabriek is opgericht als werkverschaffing voor het personeel van de boomkwekerij in de herfst en de winter. Er werd in die tijd veel cichorei verbouwd in Bergum en omstreken, veel op kleine percelen, die aan de arbeidersbevolking verhuurd waren. In september kwamen de wortels uit de grond en dat ging tot Sinterklaas door. De hele familie was dan bezig om de wortels op een hoop te krijgen. Daarna ging het met paard en wagen naar de fabriek. En dan was de spanning groot hoeveel de opbrengst zou zijn. Dat was van groot belang want van de opbrengst kon misschien een “arbeiderskoe” (schaap of geit) gekocht worden. Bij het wegen kwamen, zoals toen bij zoveel dingen, de drankfles en het borrelglas zonder voetje er aan te pas.

De wortels werden gewassen, met een soort stamper in stukjes gestampt en moesten dan drogen. Daarvoor was er een “iest”, een soort stenen vloer met gaten, waar een vuur met lange turf onder gestookt werd. Op de cichoreifabriek op de Nieuwstad waren 4 van dit soort “iesten”.

De wortels werden zo mooi droog en de “bonen” gingen naar de branderij. Daarna werden ze vermalen, in blauwe papieren zakjes geschept en dan was het klaar om in de koffie te doen.

De fabriek was voor de jongens een prachtige plek om de natte sokken, die ze bij het slootje springen hadden gekregen, te drogen. Voor de jongeren was het een plek om kattenkwaad uit te halen of om aardappels te poffen in de gloeiende as. Net zolang totdat Sjouke Zijlstra er genoeg van had en ze met lange turven wegjoeg. Het was ook een uitgelezen plek voor het vertellen van spookverhalen bij een walmend lampje.

Er werden lange dagen gemaakt in de fabriek, van ’s ochtends 6 tot ’s avonds 11 uur. Het loon was ongeveer 7 gulden per week. Johannes Okkes Bosgra, de zoon van Okke Tietes Bosgra heeft de fabriek geërfd. Rond 1912 is de fabriek opgeheven. Johannes Okkes Bosgra heeft de fabriek tussen 1912 en 1914 verbouwd en ingericht tot timmerfabriek. De timmerfabriek “de Hoop” ging echter maar moeizaam van start. Op 5 augustus 1916 werd de 23 jarige Harm de Boer ingezet om het bedrijf te leiden. Hij startte onder zware omstandigheden: te weinig materiaal, soms geen elektriciteit, vooroordelen van de mensen die dachten dat machinewerk niet tegen handwerk op kon. Door een goed inzicht en vakmanschap, opgedaan in de bouw, avondschool, schriftelijke cursus, tekenschool en lessen van een bouwkundige wist de jonge de Boer de problemen te overwinnen en kon hij in 1919 met een uitbreiding van de fabriek beginnen. Johannes Okkes Bosgra heeft de fabriek eerst verhuurd en daarna verkocht aan Harm de Boer. De fabriek heeft na goede en slechte tijden uiteindelijk in 1986 moeten sluiten door economische omstandigheden. Op dit moment is het een verzamelgebouw voor verschillende bedrijven. (Van der Vliet, 1993)

 


© 2005 Johannes Bosgra

 

 

 

 
  

Google
 
Web www.johannesbosgra.com

© 2007 Johannes Bosgra     Sitemap  Bosgra